De meest voorkomende zoetwatervissoorten

Alver      -      Latijnse naam : ( Alburnus Alburnus ) - Duitse naam : ( Ukelei ) - Engelse naam : ( Bleak )
    Een alver is een onopvallende vis met tamelijk grote schubben. Hij wordt zo'n 15 tot 20 cm lang. Het is een vrij algemene vis, in die zin dat de vis in bijna ieder water op het Europeese vasteland voorkomt. Alvers leven vaak in scholen, die dicht aan de oppervlakte zwemmen. De kleur van de rug is grijsgroen met een blauwige glans, de zijkant is zilverachtig en de buik is wit van kleur. Hij kan zo'n 5 tot 6 jaar oud worden.

Baars      -      Latijnse naam : ( Perca Fluviatilis ) - Duitse naam : ( Barsch ) - Engelse naam : ( Perch )
    De baars is een algemene vissoort die in vele stilstaande of langzaam stromende wateren voorkomt. Hij leeft en jaagt in scholen, die in de regel uit individuen van gelijke grootte bestaan. Deze scholen bestaan meestal uit ongeveer 30 tot 160 exemplaren, maar ook veel grotere scholen zijn wel waargenomen. Hieruit blijkt de voorkeur van de baars dus voor ruim water, zoals meren, plassen, kanalen en rivieren. Snelstromend water wordt echter gemeden. Omdat de baars op het zicht jaagt, dient het water helder te zijn. Open water is hun voorkeur, maar vooral jonge baars houdt zich graag tussen de waterplanten op.

Barbeel      -      Latijnse naam : ( Barbus Barbus ) - Duitse naam : ( Barbe ) - Engelse naam : Barbel
    Barbelen komen sinds enkele jaren weer talrijk voor in een groot aantal rivieren van vooral oost- en midden-Nederland. Het is daarmee ook weer een populaire sportvis geworden. Dat komt niet alleen doordat het nu weer mogelijk is deze vis in Nederland te vangen, maar ook zijn kracht maakt hem aantrekkelijk voor Sportvissers. Het is een vechtersbaas eerste klas die zeker in een snelstromende rivier zeer sterk is en een ware uitdaging vormt voor de sportvisser.

Blankvoorn      -      Latijnse naam : ( Rutilus Rutilus ) - Duitse naam : ( Plötze ) - Engelse naam : ( Roach )
    De blankvoorn komt vrij algemeen voor in de meest uiteenlopende wateren. Het zijn langzame groeiers en ze bereiken pas na zo'n 10 jaar een lengte van 30 cm. De maximale lengte is ongeveer 40 cm. De jonge exemplaren vormen een belangrijke voedselbron voor roofvissen als de snoek, snoekbaars en baars.

Brasem      -      Latijnse naam : ( Abramis brama ) - Duitse naam : ( Brachsen ) - Engelse naam : ( Bream )
    De brasem behoort tot de karpervissen. Gemiddeld worden ze 30-60 cm lang en tot 3-4 kg zwaar. Brasems krijgen een steeds grotere economische betekenis, omdat ze zich makkelijk aan een door mensen veranderde omgeving, zoals stuwmeren en vijvers, aanpassen. Elk jaar produceren ze vele honderdduizenden nakomelingen waarvan het aantal overlevenden veel groter is dan bij andere Abramis-soorten. Zelfs schommelingen in het zoutgehalte van het water verdragen ze goed, vandaar dat ze ook in riviermondingen voorkomen. Hengelaars zien de brasem als waardevolle vangst. Het vlees is van middelmetige kwaliteit, vooral door de vele graten. Die kunnen echter makkelijk worden verwijderd als het vlees goed wordt gebraden of gekookt.

Graskarper      -      Latijnse naam : ( Chenopharyngodon Idella ) - Duitse naam : ( Grasfisch ) - Engelse naam : ( Grass Carp )
    Graskarpers zijn de wijdst verbreide plantenetende vissoort in de karperviskwekerij ter wereld. De soort gedijt vooral goed in visvijvers en kanalen alsmede in weelderig begroeide dode rivierarmen. Omdat graskarpers zich uitsluitend met algen en planten voeden, maken hengelaars steeds vaker melding van vangsten met levend aas en kunstaas. Een zo'n krachtige vis met de hengel vangen kan een ware belevenis zijn, aangezien graskarpers soms wel meer dan 1 m lang worden en een gewicht van 15-25 kg kunnen behalen, en aan de hengel een hevig gevecht leveren.

Kleine Modderkruiper      -      Latijnse naam : ( Cobitis Taenia ) - Duitse naam : ( Steinbeisser ) - Engelse naam : ( Spined Loach )
    De kleine modderkruiper is een zoetwatervis, en is de kleinste van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers. De kleine modderkruiper wordt 10 tot 14 cm groot. Het is een zeer beweeglijk, wormachtig visje met een fraai patroon van donkere vlekken op zijn flanken. Ter verdediging heeft hij een kleine uitklapbare stekel onder zijn oog. Aan zijn bek zitten zes korte tastdraden die hij gebruikt om `s nachts naar voedsel (kleine diertjes en detritus) te zoeken op de bodem. Overdag verschuilen ze zich in de modder. 's Nachts zwemmen ze graag.

Kolblei      -      Latijnse naam : ( Blicca Bjoerkna ) - Duitse naam : ( Güster ) - Engelse naam : ( White Bream )
    De 25-30 cm lange kolblei behoort tot de meest voorkomende vissoorten in de Europese wateren. Er wordt op deze soort veel met de hengel gevist. In zijn natuurlijke leefomgeving, zeer ondiepe meren in het vlakke land en langzaam stromende rivieren, vormt hij een belangrijke prooi voor grotere roofvissen. Deze allesetende soort voedt zich ook met organisch afval en past zich daarom snel aan het leven in kleine wateren in de buurt van menselijke bewoning aan.

Kopvoorn      -      Latijnse naam : ( Leuciscus Cephalus ) - Duitse naam : ( Döbel ) - Engelse naam : ( Chub )
    Kopvoorns komen voornamelijk in grotere wateren voor. In Nederland kwamen zij vroeger talrijker voor; nu worden kopvoorns voornamelijk nog in de Maas in Limburg aangetroffen en soms in het stroomgebied van de IJssel. Jonge kopvoorns leven in groepen bij elkaar, volwassen exemplaren niet. Deze laatste verdedigen een 'territorium' in rivieren tegen soortgenoten. De paaitijd is in mei en juni. Bij mannetjes komt paaiuitslag voor: de hele vis is dan bedekt met witte knobbeltjes, die na de paaitijd weer verdwijnen. Grote exemplaren jagen ook op vis b.v. op paling, riviergrondel, ruisvoorn, serpeling en jonge soortgenoten.

Kroeskarper      -      Latijnse naam : ( Carassius Carassius ) - Duitse naam : ( Karausche ) - Engelse naam : ( Crucian Carp )
    De kroeskarper is een vis die nog wel eens wordt verward met de giebel. In tegenstelling tot de giebel heeft de kroeskarper echter geen neusje en is de kroeskarper koper/bronsachtig van kleur. De kroeskarper is na ongeveer 2 tot 4 jaar geslachtsrijp, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De paaitijd begint in mei en duurt ongeveer tot de maand juni. Het is een sterke vis, die in ondiepe wateren goed kan overleven, doch komt voornamelijk in diepere meren en plassen voor.

Meerval      -      Latijnse naam : ( Silurus Glanis ) - Duitse naam : ( Waller ) - Engelse naam : ( Wels )
    De Europese meerval (Silurus glanis) is momenteel de grootste vissoort van Nederland. Maximaal wordt deze soort ongeveer 3 meter, in Nederland blijft deze echter aanzienlijk kleiner en groeit uit tot ongeveer 1,8 meter. De Europese meerval komt voornamelijk in de grote rivieren en in diepe wateren, met een modderige bodem voor.

Paling      -      Latijnse naam : ( Anguilla Anguilla ) - Duitse naam : ( Aal ) - Engelse naam : ( Eel )
    Zijn slangachtige bouw zorgt ervoor dat hij zich razendsnel kan ingraven als er gevaar dreigt. Het grootste gedeelte van de dag ligt hij dan ook ingegraven, om 's nachts tevoorschijn te komen om te gaan jagen. Hij jaagt hierbij, met zijn, buisvormige goed ontwikkelde neusgaten, hoofdzakelijk op de reuk. Het mannetje wordt niet groter dan 40 cm. terwijl het vrouwtje, dat ook veel langer in het zoete water blijft, een lengte kan bereiken van 120 cm.

Pos      -      Latijnse naam : ( Gymnocephalus Cernuus ) - Duitse naam : ( Kaulbarsch ) - Engelse naam : ( Ruffe )
    De pos is bij hengelaars meestal niet erg populair. Waarschijnlijk komt dit door het geringe formaat van de vis; meestal is hij niet veel groter dan 12 cm. Toch is het bij nadere beschouwing een heel mooi visje. Hoewel hij lijkt op een klein baarsje, zijn er duidelijke verschillen. Zo zijn de 2 rugvinnen vergroeid tot één doorlopende rugvin, en de bij de baars aanwezige verticale strepen zijn bij de pos vervangen door zwarte vlekken. Zijn kieuwdeksel is in het bezit van een krachtige stekel en voorzien van groeiringen waaruit is op te maken hoe oud de vis is.

Rietvoorn      -      Latijnse naam : ( Scardinius Erythrophthalmus ) - Duitse naam : ( Rotfeder ) - Engelse naam : ( Rudd )
    De ruisvoorn, ook wel rietvoorn genoemd, wordt ongeveer 35 centimeter lang en weegt dan ruim 500 gram. De ruisvoorn komt veel voor in iets voedselrijker helder water met veel waterplanten. Hij leeft in scholen aan het oppervlak van het water. Omdat de ruisvoorn in dit type water een van de dominante soorten is wordt het ook wel het snoek/ruisvoorn-watertype genoemd. De ruisvoorn paait van april tot juli. Ruisvoorns eten ook veel waterplanten, als de watertemperatuur boven de 18°C komt, zodat ze voor tuinvijvers en aquaria niet aan te bevelen zijn. Anderzijds zijn het wel fraaie vissen met felrode vinnen die zich goed laten zien.

Rivierdonderpad      -      Latijnse naam : ( Cottus Gobio ) - Duitse naam : ( Groppe ) - Engelse naam : ( Bullhead )
    De rivierdonderpad is kleiner dan zijn neef in het zeewater maar verder lijkt hij er wat vorm betreft erg op. Wat kleur betreft hangt dat erg af van de ondergrond waar hij op leeft. Meestal is hij donkerbruin met onregelmatige roodachtige vlekken, soms zitten daar ook witte vlekken tussen. De rivierdonderpad staat op de lijst van beschermde diersoorten, en is vrij zeldzaam, dit in tegenstelling tot zijn in het zeewater voorkomende familieleden de zeedonderpad en de groenedonderpad. Deze zijn in het geheel niet zeldzaam en komen in grote aantallen voor in de Grevelingen en de Oosterschelde.

Riviergrondel      -      Latijnse naam : ( Gobio Gobio ) - Duitse naam : ( Gründling ) - Engelse naam : ( Gudgeon )
    Het is een langgerekte, kleine bodembewoner (max. 20 cm), met een rij van donkere vlekken op de flanken. De twee korte tastdraden aan de bek worden gebruikt om op de bodem te zoeken naar klein dierlijk voedsel, zoals borstelwormen en kreeftjes. Riviergrondels stellen geen zeer hoge eisen aan de waterkwaliteit en worden in een groot aantal watertypen aangetroffen.

Roofblei      -      Latijnse naam : ( Aspius Aspius ) - Duitse naam : ( Rapfen ) - Engelse naam : ( Asp )
    Sinds enige jaren maakt deze soort een opmars in de Nederlandse wateren. Hengelaars maken inmiddels een redelijke kans om een roofblei te vangen, vooral in grote stromende wateren en wateren die daar mee in verbinding staan. Het lijkt er sterk op dat de roofblei zich ook al volop voortplant in onze streken en een populatie gaat vormen die zich zelf in stand kan houden. De roofblei leeft vooral in de midden- en benedenloop van rivieren, maar is ook te vinden in allerlei zijwateren en in stilstaande meren. De gemiddelde lengte ligt tussen de 30-60 cm.

Snoek      -      Latijnse naam : ( Esox Lucius ) - Duitse naam : ( Hecht ) - Engelse naam : ( Pike )
    De snoek is een echte roofvis. Hij vangt alle soorten vis, zelfs zijn kleinere soortgenoten zijn niet veilig. maar meestal zijn het toch de zieke of zwakke vissen die hij eet. Deze zwakke vissen zijn makkelijker te vangen. Dit zorgt ervoor dat de visstand in water waar de snoek voldoende in voorkomt gezond blijft. De snoek kan prooien aan tot ca. 75 % van zijn eigen lichaamslengte.

Snoekbaars - Latijnse naam : ( Sander Lucioperca ) - Duitse naam : ( Zander ) - Engelse naam : ( Pike Perch )
    Door uitzettingen van snoekbaars sinds het einde van de 19de eeuw, vooral door onze oosterburen, kon de soort steeds verder in West-Europa doordringen. Daar de snoekbaars uitstekend gedijt in troebel water, heeft de eutrofiëring de snoekbaars bevoordeeld en de snoek benadeeld. De kleinere snoek heeft immers helder water en voldoende waterplanten nodig om zich in redelijke aantallen te kunnen handhaven. De opmars van de snoekbaars werd zodoende een feit. Het is dus niet zo dat, zoals ten onrechte wel eens wordt beweerd, de snoekbaars de snoek heeft verdrongen.

Spiegelkarper      -      Latijnse naam : ( Cyprinus Carpio Carpio ) - Duitse naam : ( Karpfen ) - Engelse naam : ( Carp )
    De spiegelkarper komt in onze wateren al in de vroege Middelleeuwen voor, waarbij hij vooral als consumptievis werd uitgezet. Tegenwoordig wordt hij vooral als sportvis gewaardeerd, want de karper staat algemeen bekend als de krachtpatser van het zoete water. Op het openbare water in ons land heeft de spiegelkarper het moeilijk om zich voort te planten, omdat tussen het afleggen van de eitjes en het uitkomen van het broed de weersomstandigheden optimaal moeten blijven en dit is in ons klimaat niet altijd het geval.

Winde      -      Latijnse naam : ( Leuciscus Idus ) - Duitse naam : ( Aland ) - Engelse naam : ( Ide )
    De winde is een voornachtige, die door een leek gemakkelijk wordt verward met blankvoorn en kopvoorn (ook wel meun genoemd). De vis komt voor in open water. Hij kan na 6 jaar een lengte van 30 cm bereiken. Hij kan echter tot 80 cm lang worden. Exemplaren van ca 50 cm zijn niet zeldzaam. Hoewel (grote) windes ook kleine visjes eten, bestaat hun natuurlijk voedsel voornamelijk uit insecten, insectenlarven en schelp-of schaaldiertjes.

Zeelt      -      Latijnse naam : ( Tinca Tinca ) - Duitse naam : ( Schleie ) - Engelse naam : ( Tench )
    De vis heeft een groenige kleur die varieert al naargelang de bodem en de leeftijd, en hij heeft een dikke slijmerige huid met zeer kleine schubben. Ze komen voor in alle denkbare stilstaande en langzaam stromende wateren met een vrij zachte bodem. Ook in zand en grindafgravingen komen zeelten voor die daar ook flinke formaten kunnen halen. Brakke en vegetatiearme wateren worden gemeden. In Nederland is de zeelt talrijk in allerlei wateren en in wateren waar door de uitbundige plantengroei zuurstofgebrek kan ontstaan, is de zeelt vaak de dominante vissoort.

Zonnebaars      -      Latijnse naam : ( Lepomis Gibbosus ) - Duitse naam : ( Sonnenbarsch ) - Engelse naam : ( Pumpkinseed )
    De zonnebaars is een vis die tot 15 centimeter groot wordt. De laatste decennia is de soort echter sterk in opmars. Vermoed wordt, dat dat komt doordat vijverliefhebbens hun nakweek soms vrijlaten in de natuur om er zogenaamd 'diervriendelijk' van af te komen. Met name in geïsoleerde wateren als vennen voorkomt de zonnebaars de ontwikkeling van amfibieën en insecten (met name muggen en libellen).